Wandelstokken zijn grofweg te verdelen in telescopische, vouwbare en vaste modellen, elk met een eigen manier van in lengte brengen en opbergen. Telescopische stokken schuiven via een klem- of draaisysteem in elkaar en zijn daardoor traploos verstelbaar, wat handig is bij wisselend terrein. Vouwstokken bestaan uit segmenten die met een koord verbonden zijn en vallen compact samen, ideaal voor onderweg. Qua materiaal domineren aluminium en carbon: aluminium is stevig en betaalbaar, carbon is lichter maar gevoeliger voor puntbelasting bij een harde klap. Voor extra grip op sneeuw of ijskoud terrein zijn losse dopjes en spikes beschikbaar die je eenvoudig verwisselt.
Op vlak en verhard terrein voldoet een lichte telescoopstok, terwijl bergachtig of technisch terrein om een stevigere, goed verstelbare uitvoering vraagt. Bij dalingen maak je de stok langer om voorover leunen te voorkomen, bij stijgingen korter voor meer stuwkracht. Wandelaars die veel bepakking dragen, merken het snelst verschil: de stokken nemen een deel van het gewicht over van schouders en knieën. Voor lichte tochten zonder hoogteverschil is een enkele, simpele stok vaak al voldoende, terwijl langere trektochten baat hebben bij een paar met schokdemping.
Bij de keuze van een wandelstok wegen verstelsysteem, gewicht en handvat het zwaarst mee. Een betrouwbaar klem- of draaisysteem voorkomt dat de stok tijdens gebruik onverwacht inschuift, wat op oneffen terrein voor onbalans kan zorgen. Het handvat bepaalt het draagcomfort over langere afstand: kurk en schuim voelen prettiger aan dan hard kunststof, vooral bij zwetende handen. Merken als Leki bouwen bekende, gekeurde verstelsystemen, terwijl Abbey een compacter en toegankelijk alternatief biedt voor wie vooral op prijs-kwaliteit let. Ook de punt speelt een rol: een carbide punt slijt minder snel en behoudt langer grip op rotsachtige ondergrond. Voor wie op zoek is naar bredere wandelbenodigdheden is de pagina wandelaccessoires een logisch vervolg.
De juiste lengte van een wandelstok bereken je door de stok rechtop te zetten en de arm met een lichte buiging in de elleboog naar het handvat te laten zakken. De elleboog hoort dan ongeveer een hoek van 90 graden te maken. Een veelgebruikte vuistregel is de helft van de lichaamslengte, met een kleine marge naar beneden. Bij telescopische stokken stel je beide delen zoveel mogelijk gelijk in, zodat de belasting evenwichtig over de segmenten verdeeld blijft.
Lopen met wandelstokken verlicht de druk op de knieën omdat een deel van het lichaamsgewicht via de armen naar de stokken wordt afgeleid. Dit effect is het duidelijkst merkbaar bij afdalingen en bij tochten met een zware rugzak, waar de knieën normaal gesproken de meeste klappen opvangen. Door de stokken bij het aflopen iets langer te zetten, ontstaat extra steun op het moment dat de knie het meest wordt belast. Voor mensen met gevoelige gewrichten kan dit het verschil maken tussen een prettige en een vermoeiende wandeling.